| |
Hoodstuk 2: Op Kiara Pajoeng
De nieuwe omgeving was heel interessant, maar de overgang van Zwitserland naar de tropen was enorm. Het was een totaal andere wereld. Het klimaat, de bevolking, de gewoontes, de taal, de bomen en planten en dieren, alles was totaal anders. Het was een aaneenschakeling van verrassingen. Het een na het ander. Het maakte allemaal een diepe indruk op mij.
In Nederland bestond over het algemeen de nodige kennis over het leven in de tropen. In Zwitserland was dat veel minder het geval.
Het huis waarin we gingen wonen, was zeer primitief. Eigenlijk was het niet meer dan een oude hut, gebouwd op een berg die vol zat met termieten, die door hun lichte kleur ook wel ‘witte mieren’ werden genoemd.
Er waren allemaal nieuwe geluiden: een laag ‘Oe ah, Oe ah’, de wurgslang die praatte met zijn wijfje, gekrijs van apen. Het geluid van de tokè’s, hagedissen, die soms zelfs achter de schilderijen zaten. Ze zeiden ook ‘tokè.’ Er waren enorme kikkers. Ik ontdekte er één, zo groot als een gebaksbordje onder de lamp naast het buro. Ik vergat haast te ademen van schrik.
‘Dat is Hansie’ zei Emil. ‘Hij moet daar blijven zitten. Hij eet muggen, dus ook malariamuggen.’ Op het toilet waren er grijpkikkers die op je billen gingen zitten. Als je in de keuken iets wilde doen, moest je eerst allemaal kakkerlakken wegjagen. Water kon je niet open laten staan. Dan kwamen er kleine hagedissen in. Een duizendpoot -twee centimeter breed, vijftien centimeter lang- giftig, vond ik buiten onder een oude jutezak.
Overdag was Emil in de tuinen.
Op de rubberonderneming was ik de enige Europese vrouw en dat zou de eerste acht maanden zo blijven. Ik kon met niemand praten: zowel de Nederlandse taal als het hier voornamelijk gesproken Soendanees moest ik nog leren.
Maar de bedienden waren tegemoetkomend en lief. Met handen en voeten communiceerden we. En toen ik enige woorden Soendanees kende, waren ze daar al heel tevreden over. Met hen kon ik lachen. Wel leefden ze erg op zichzelf. Maar met hen groeide eerder een geestelijk contact dan met de nogal terughoudende Nederlanders die ik daar ontmoette.
Het verschil met thuis was enorm. Thuis in Zwitserland, waar mijn ouders een groot en druk bedrijf hadden, onder andere het restaurant de ‘Waldegg’ in Menziken. Waar we in onze woning boven het restaurant en ook beneden in en rond het restaurant altijd veel vertier hadden. Waar onze vele vrienden en vriendinnen altijd welkom waren en waar we dikwijls met zijn tienen aan tafel zaten. Met de hele familie, vrienden, privé-gasten en het keukenmeisje. Er was altijd een vrolijke drukte, er waren altijd veel mensen, je was er nooit alleen. Hier had ik naast Emil niemand waarmee ik kon praten en om mij heen waren de tuinen en een groen, groen, groen oerbos.
Er gingen veel brieven heen en weer. Drie weken heen, drie weken terug. Met nieuws over het nieuwe leven. Over de onderneming. Over Totie, de kokki, die de groenten veel te lang kookte, zodat ik het koken toch maar zelf had overgenomen. Over hoe je kookte op nat hout. Hoe dat walmde. Over Oeta, de djongos, een beeldschoon kereltje van ongeveer twaalf jaar, in wit kostuum en met een doek over de schouder. Hij dekte de tafel en deed andere kleine klusjes.
Van thuis kwamen berichten over de gebeurtenissen in het dorp. Over hoe het met alle familieleden ging. Over hoe verrast en blij ze waren geweest met die mooie, antieke voordeur, toen ze die dag van mijn vertrek thuiskwamen. Hoe ze allemaal in tranen waren geraakt bij het ontdekken ervan.
De eerste zinnen Nederlands studeerde ik in: Goedemorgen, hoe gaat het met u? Wat wilt u drinken, koffie of thee? Het boek van Dik Trom diende mij als leerboek. Ik las mezelf hardop voor. Dat gaf in ieder geval wat te lachen. En iedere avond kreeg ik les van Emil. In het Nederlands en in het Soendanees.
Als huwelijkscadeau had Emil voor mij door een Chinees een ‘oud-Hollandse’ woonkamer laten maken. De Chinezen waren daar ware kunstenaars in. Zo was de kamer aangekleed met een prachtige “oud-Hollandse” broodkast, een bureautje, tafel, stoelen en een buffet. Bovendien had Emil al sinds zijn studietijd schilderijen en mooie oude dingen verzameld. Daar had hij veel gevoel voor. Vòòr de Rijks Tuinbouwschool in Boskoop had hij de kunstacademie in Rotterdam doorlopen. Samen met klasgenoot Marten Toonder had hij tot de beste leerlingen van de klas behoord. Hij had van zichzelf gevonden dat hij het portretschilderen onvoldoende beheerste en daarom had hij toch geen loopbaan als kunstenaar aangedurfd.
Zelf had ik van thuis een prachtige ouderwets-Zwitserse uitzet meegekregen. Mooi linnengoed verpakt in twee chique koffers met vakken -gekregen van een oom, die een tricotagefabriek had- , kleding en zilver. Een EHBO-kistje, ingericht met de modernste middelen, verband en zalven, cadeau gedaan door mijn zusters, toen ik een eerstehulpcursus volgde met de gedachte dat mij dat mogelijk van pas zou komen. Van mijn tuinbouwschoolvriendinnen had ik vierentwintig zakjes met medicinale kruiden gekregen. De zakjes mooi geborduurd met de namen van de kruiden er op.
De rubberafdeling van de onderneming was ongeveer 800 hectare groot. De theeafdeling lag verderop. Het gebied was overal zeer bergachtig. De autoweg op de onderneming was daardoor bijvoorbeeld al vijfendertig kilometer lang.
Emil had een fel klein paardje, een Sandelwood, Ellie genaamd, waarmee hij zich verplaatste. Je kon op de onderneming uren paardrijden. De vrachtauto werd alleen gebruikt om de rubber naar de trein in Tjiandjoer te brengen.
Het oude huis waarin we woonden, lag aan een helling. Vanuit het keukenraam keek je meteen naar boven. Naar de autoweg en dan weer hoger naar de beplanting. Het huis was heel donker. Het bestond uit een woonkamer, een kantoortje annex logeerkamer, een hele grote slaapkamer, donker en wel acht meter lang en een even groot overdekt terras, helemaal in het groen ingelijst met twee open kanten naar de tuin. Het huis was voornamelijk gemaakt van ‘bilik’: gespleten, platgeslagen en gevlochten bamboe. Eerst was er een onderbouw van gemetselde natuurstenen. Daarop stonden dubbele wanden van ‘bilik’. Tussen de wanden zaten vaak ratten. In de slaapkamer stond een stok waarmee Emil op de wanden sloeg als de ratten te keer gingen. Dan gingen ze weg.
Ooit was het huis bewoond geweest door een planter die aan de drank was. Als de fles leeg was, dan ging die door het raam naar buiten. Om het huis waren dertig centimeter diepe gaten gegraven. Met het oog op de enorme regenbuien. Die buien begonnen met het ruisen van de wind, de regen en de bladeren. Daarna kwam het geweld als een zondvloed van de heuveltoppen aanstormen. In korte tijd waren die gaten dan vol met water. Als het water zakte, kwamen er altijd scherven te voorschijn, souvenir van die drinkende voorganger.
Later bleek dat het huis ook een slangenkwekerij was geweest. Alle soorten had men er gekweekt ten behoeve van het Instituut Pasteur in Bandoeng, waar onder andere serums werden ontwikkeld tegen slangenbeten. Het krioelde rond het huis van de slangen: tussen het olifantengras, de struiken en vooral tussen de varens. Ik was er panisch voor. In drie maanden tijd kwam ik zestig verschillende soorten tegen. Nagenoeg allemaal waren ze giftig. Eens zat ik zelfs bovenop een orai tjabbe, een van de giftigste soorten. Maar ik zat er zodanig bovenop dat hij mij niet had kunnen bijten.
Samen hadden Emil en ik het echter heerlijk. We waren erg verliefd en daarom kon ik heel wat problemen aan. Af en toe had ik heimwee, maar de brieven naar huis – ik zat uren te schrijven - waren enthousiast en vol van verliefdheid.
De eenzaamheid overdag en de onbekendheid met de gesproken talen maakten het dagelijks leven echter niet gemakkelijk. Maar de kennis, opgedaan bij mijn tuinbouwopleidingen en mijn enorme liefde voor tuinieren bleken mijn grote redding. Ik stortte me op de aanleg van de tuin, want hij was helemaal onbeplant. De grond, roodkleurig, was van slechte kwaliteit. Eerst moest ik planten zien te vinden, die de juiste stoffen in de grond zouden brengen.
Nu werden we toevallig uitgenodigd door mensen die in een villa boven Bandoeng woonden. De vrouw des huizes, een Thaise, wist precies wat ik nodig had: Legominosen, een lid van de lupinefamilie, die ook hier voor stikstof in de grond zorgt. Ik kreeg een enorme bos stekjes mee naar huis en de plant wist zich in een maand tijd door mijn hele tuin te verspreiden. In de tropen bleek alles razendsnel te groeien. Na deze ‘injectie’ kon ik naar hartelust tuinieren.
Ik ging afrasteren en richtte naast het huis kweekbedden in. Ik kreeg extra hulp: een hele lieve tuinman, Wahia. Hij was bijzonder toegewijd en ik raakte zeer op hem gesteld.
In de tuin wilde ik discipline hebben. De varenheg rond het huis werd schoongemaakt, het gras werd er tussenuit gehaald en er werd een keurig gesnoeide haag van gemaakt. Er was een trap van zo’n twintig treden naar de autoweg. Tijdens regen gleed je op die trap onmiddellijk onderuit. Op de tuinbouwschool had ik geleerd de traptreden van graszoden te maken. Dat werd nu ook gedaan. Vanaf dat moment spoelde de grond daar niet meer weg. Het gras moest wel steeds kort gehouden worden. Dat werd gedaan met een vlijmscherp, kort mes dat bevestigd was aan een lange stok. Een soort korte zeis.
Langs de trap kwam een haag van handeuleum, een struik met knalrood blad met bruin erin. Als de zon scheen, leek het net of er allemaal lampjes brandden.
Het raakte bekend dat ik in planten geïnteresseerd was. Er waren kwekerijen bovenop de berg de Poentjak, in de koelte. Via binnenwegen kwam elke week iemand te voet bij mij langs met manden met stekjes en plantjes. Op die manier kwam ik voortdurend aan nieuwe planten.
Bovendien kocht en plantte ik veel grootbloemige bomen. Om een cipressenlaan aan te leggen schafte ik acht cipressen aan. En we creëerden een grote vierkante vijver.
Er kwamen pergola’s met klimplanten: één boven aan de trap en één over het bruggetje dat naar de kampong, naar de huizen van de bedienden leidde. Die pergola’s werden van bamboe gemaakt, wat in Indië in overvloed groeide.
Er was ook nog een enorme paardenwei waar Emils paard Ellie graasde.
Een kostbaar bezit was mijn Japanse tuinboek, waar ik veel ideeën uit putte en waarvan de invloed duidelijk in de tuin te zien was. Onder andere door het veelvuldig gebruik van bamboe.
Opdat ik met Kerst een kerstboom zou hebben, plantte ik op de helling met olifantengras jonge kerstboompjes. In korte tijd waren ze wel drie meter hoog.
Voor een tuinierster bleken de tropen een paradijs te zijn.
En voor mij was het ook een manier om mezelf te verwerkelijken.
Emils baas, de administrateur, had mij laten merken dat wanneer belangrijke mensen de onderneming bezochten, ik mij niet moest laten zien. En ook dat het niet de bedoeling was dat ik ze een hand zou geven. Een heel vreemde situatie voor mij. Ik was in Zwitserland gewend vrij met iedereen te spreken.
Zo kwam bijvoorbeeld regelmatig de heer Gorissen op de onderneming, accountant en hoofd van de administratie van vele thee- en rubberondernemingen. Nu was de heer Gorissen toevalligerwijs een groot tuinliefhebber. Hij had mijn tuin vanaf de weg gezien en bij een toevallige ontmoeting op de onderneming, vroeg hij mij of hij mijn tuin eens mocht bezichtigen. Ik nodigde hem netjes uit voor de thee en onmiddellijk meldde ook de administrateur zich voor de thee. Dat was nog niet eerder voorgekomen. De heer Gorissen was zeer onder de indruk van de tuin.
‘Zou ik wat plantjes van u mogen hebben?’ vroeg hij mij op een gegeven moment timide.
‘Maar natuurlijk, met alle plezier’ reageerde ik. Ik liet een lange mand halen en uit mijn kweekbedden koos hij wat hij wilde hebben. Zelf had hij een buitenhuis met een tuin in de bergen, op de Poentjakpas. Daar wilde hij de stekjes en plantjes poten en hij nodigde mij tot mijn verrassing uit om daar eens te komen kijken.
Zo ging het eveneens met de heer Kingma, toen hij op de onderneming op bezoek kwam. Hij was superintendent van de ondernemingen van West Java en werd ook wel ‘de koning van West-Java’ genoemd. Ook hij wilde als fervent tuinliefhebber mijn tuin bezichtigen. Hij bewonderde eveneens de door Emil verzamelde antieke schilderijen, genoot van de Zwitserse koekjes en van andere Zwitserse zaken, zou het leuk vinden als ik met zijn vrouw kennis zou maken en nodigde ons bij hem thuis uit.
Ik was in die tijd nog naïef en onervaren en geheel in beslag genomen door alles wat ik nog moest leren. Ik realiseerde me niet dat dit alles enige jaloezie opwekte. De administrateur liet in elk geval ook een tuin aanleggen met monsterlijke betonnen bruggetjes.
© 2009 Christie van Rees Vellinga
|
|